Door Aart van  Bruggen

Coronawoorden

‘Anderhalvemetersamenleving’, ‘(intelligente) lockdown’, social distancing, voet – en ellebooggroet, ‘coronakilo’s’. De coronacrisis heeft een schat aan nieuwe woorden opgeleverd. Verreweg de meeste nieuwe woorden zijn woordcombinaties beginnend met ‘corona’. Een aantal combinaties is inmiddels breed bekend: ‘coronaprotocol’, ‘coronakapsel’ (die alweer aan het verdwijnen is nu de kappers weer mogen knippen), ‘coronamoe’, ‘coronastress’ en ‘coronaproof’. ‘Coronadate’, ‘coronaklever’ (iemand die zich niet aan de anderhalvemeterregel houdt) en ‘coronatrol’ (iemand die nepnieuws over corona verspreidt) heb ik pas recent voorbij zien komen. Het corona-vocabulaire (ook een nieuw woord?) kenmerkt zich door veel creativiteit. ‘Blotesnoetenland’ als aanduiding voor een land waar mensen zich zonder mondbedekking in de openbare ruimte begeven vind ik een mooie en ook ‘(k)raamvisitie’, die al in de beginfase van de pandemie opdook.

 

Huidhonger

Voor mij persoonlijk is ‘huidhonger’ hét (corona-)woord van 2020. In deze ene term wordt het sterke gemis aan lichamelijk contact, de diepmenselijke behoefte om anderen aan te raken, kernachtig samengevat. We weten (bijna) allemaal dat die sterke beperking van het aanraken nodig is om de verspreiding van het virus tegen te gaan. En tegelijk hebben we daar (grote) moeite mee. We kennen de schrijnende verhalen van kwetsbare ouderen, die door opname in een zorginstelling van hun partner of kinderen waren gescheiden en elkaar niet konden vasthouden, knuffelen of kussen. En van alle anderen met een zwakke gezondheid die de aanraking van een dierbare moe(s)ten ontberen. Ook het achterwege laten van onze nationale begroeting, het handen schudden en het omhelzen van vrienden, (klein)kinderen en (groot)ouders voelt als heel onnatuurlijk.

 

Raak me niet aan

Bij de verhalen van gemis heb ik in de afgelopen maanden regelmatig moeten denken aan de Bijbelse woorden ‘Noli me tangere’. De vertaling van deze latijnse versie van de tekst uit Johannes 20:17 luidt: “raak me niet aan” of ‘houd met niet vast”. Jezus spreekt deze woorden als Maria Magdalena Hem nadert nadat zij Hem herkent en aanspreekt met “Rabboeni”. Waarom houdt Jezus die aanraking af, terwijl Zijn trouwe volgelinge zo blij is haar Heer in levende wijze voor zich te zien? Nodigde Jezus niet veel later zelf Thomas uit om zijn vingers op de wonden in Zijn zij te leggen om de discipel van Zijn opstanding te overtuigen? (Johannes 20, vers 27). Na ‘Noli me tangere’ spreekt Jezus de woorden ‘ik ben nog niet opgestegen naar de Vader’. Kan die toevoeging als een verklaring voor zijn afweer worden begrepen en zo ja, wat betekent die verklaring dan? Volgens sommigen wilde Jezus Maria Magdalena duidelijk maken dat ze Hem in figuurlijke zin los moest laten. Het is geen wonder dat de drie Latijnse woorden door de eeuwen heen tot veel discussies en interpretaties hebben geleid. Wie wil kan zich daar verder in verdiepen. Kunstenaars en met name schilders lieten zich al vroeg inspireren door de tekst in Johannes 20. Een aantal van hen beeldt Jezus af met een spade of schoffel in zijn hand en een breedgerande hoed op zijn hoofd, omdat Maria Magdalena Hem volgens Johannes aanzag voor de tuinman. Een mooie interpretatie geeft wat mij betreft de Italiaanse schilder Simone Cantarini (1612-1648). Hij weet het moment van herkenning en toenadering van Maria Magdalena en van het tegelijk terugdeinzen van Christus mooi in één beeld te vangen. Raak me niet aan. Hopelijk komt voor ons snel een einde aan die opdracht en wordt onze huidhonger gestild.