Geloof is volgens de gangbare definitie ‘vertrouwen zonder bewijs’. Liselotte van Eck, masterstudent Linguïstiek, weet niet zeker of ze gelooft. Het valt haar wel op, dat taal is doorspekt van gelovige woorden. Voor PUP speurt ze naar de sporen van geloof in onze taal. 

Door Liselotte van Eck

In de NRC las ik de kop “Een gender bevestigd – hoe verschijning en identiteit overeen kunnen komen”. Een discrepantie tussen uiterlijk en innerlijk, zoiets bedoelt de schrijver met dat tweede stukje. Ik weet meteen waar het over gaat. Het woord ‘verschijning’ valt me wel op, het klinkt een beetje geheimzinnig en daarmee voorzichtig.

ver·schij·ning (de; v; meervoud: verschijningen)

Bij verschijning denk ik aan religieuze of mythische figuren. Om maar even dichtbij huis te blijven: Jezus is iemand die verscheen aan mensen. Zo iemand die niet gewoon aan komt lopen of fietsen, maar opdoemt of tevoorschijn komt. Daar hoor ik dan zo’n whoosh-geluid bij, zoals bij die animatie op Powerpoint waarbij de slides je scherm in vliegen. Ik denk dat niet iedereen zomaar kan verschijnen. Er moet iets zijn wat je bijzonder maakt waardoor je komst opvalt. Dat ligt besloten in het woord. Even kijken wat het woordenboek er verder over zegt.

 Verschijning komt van het werkwoord verschijnen, wat heel veel dingen kan betekenen. De komst van nieuw boek, de zon die langzaam zichtbaar wordt, of een artiest die het podium opkomt. Volgens van Dale kan verschijning ook refereren naar een spook of visioen, dus iets wat je ziet en niet klopt met de waarneembare werkelijkheid. Als laatste betekent het uiterlijk, meestal van een mens, zoals in de NRC-kop.

In verschijning zit ook schijn. Misschien dat ik het woord daarom associeer met iets dat niet is wat het lijkt. Interessant genoeg schrijft het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands dat het woord in het Middelnederlands “duidelijk zichtbaar bewijs” betekende. Die definitie is duidelijk afgezwakt. Nu duidt schijn eerder op iets wat niet klopt. Met “het is maar schijn” zeg je eigenlijk: het is nep, die doet alsof, misschien wel: ik geloof het niet.

Terug naar het woord in kwestie. Ik bedenk me dat ik het zelf best regelmatig gebruik in alledaagsere situaties, waarin het verder niets met schijn te maken heeft. “Ik zie je wel weer verschijnen” zeg ik bijvoorbeeld als een concrete afspraak maken niet lukt. Of “wat een verschijning” over iemand die me opvalt en ik niet met een passender woord weet te kenmerken. Het klinkt misschien onaardig als je het leest, maar je moet het horen. De intonatie bepaalt de betekenis.

Verschijningsnorm

Verschijning komt in het NRC-artikel verder alleen voor in de volgende zin:  “Wat iemand nodig heeft om te ervaren dat de genderidentiteit wél klopt met de verschijningsvorm, varieert enorm”. Ik blijf hangen op verschijningsvorm. Iemands vorm, uiterlijk dus, kan maar hoeft niet per definitie iets over identiteit te zeggen. Categorieën komen voort uit de betekenis die we geven aan vorm, niet aan de vorm zelf. Misschien was verschijningsnorm wel passender geweest.

Bronnen