In de beste familie

 

Tekst: Rijk Schipper

Hoe belangrijk is het familieleven? Wat is de basis van een familie? Vormen we als mensheid één grote familie? Een verkenning van een stekelig maar inspirerend gebied.

Stamvaders

In de oudste tijden ontstond een volk door een opeenvolging van generaties. Ook in Israël nam men aan dat ‘stamvaders’ een volk vormgeven. Weliswaar gaan alle mensen terug op één oervader, namelijk Adam. Toch geldt voor de nakomelingen van Abraham in het bijzonder dat ze erbij horen. Als uitverkoren volk ontvangen ze de zegeningen die God aan de stamvaders (of ‘aartsvaders’) heeft beloofd.

Zo komt het dat er in het Oude Testament zoveel prachtige familieverhalen staan. Wrange verhalen zoals de moord van Kaïn op zijn broer Abel en het bedrog dat Rachel en Jakob pleegden om Ezau het eerstgeboorterecht te ontfutselen. Ontroerende verhalen zoals de late zwangerschap van Sara en de hereniging van Jozef met zijn broers en vader in Egypte. Deze verhalen hebben talloze kunstenaars en schrijvers geïnspireerd, bijvoorbeeld de Duitser Thomas Mann, die een romancyclus schreef over Jozef en zijn broers.

Geestelijke familie

Op het eerste gezicht neemt het Nieuwe Testament de zienswijze over dat de afstamming van de aartsvaders van doorslaggevend belang is voor de vorming van een natie. De evangelist Mattheüs laat zien dat Jezus afstamt van Abraham (Mt. 1:1-17). Lucas voert diens afstamming zelfs terug op Adam (Lc. 3:23-28). Tegelijk laat het Nieuwe Testament ons stevig schrikken. Er lijkt sprake te zijn van een anti-familiesentiment. Om Jezus te volgen moeten we familie en bezit achterlaten (Mc. 10:29) en onze moeder, vrouw, broers en zussen zelfs ‘geringachten’ (Lc. 14:26). Het gaat Jezus niet om bloedverwantschap maar geloof. ”’Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder’” (Mc. 3:33-35). De natuurlijke, biologische verwantschap wordt vervangen door de banden van het geloof.

Dat betekent niet dat Jezus het traditionele familieleven afwijst. Ook hij kent het gebod om je vader en moeder te eren. En wat God heeft samengevoegd, mag de mens niet scheiden. Laten we ook niet onderschatten hoe belangrijk de rol van Jozef is in het Nieuwe Testament. Al is hij niet de biologische vader van Jezus, hij neemt wel de vaderlijke verantwoordelijkheid op zich, zodat een ‘heilige familie’ ontstaat. De traditionele familiebanden worden zeker niet afgeschaft, maar een hoger ideaal dient zich aan: de mensheid als geestelijke familie.

Voor God gelijk

Ook Paulus buigt zich over de kwestie hoe Gods familie gestalte krijgt. Moet je genetisch afstammen van Abraham en behoren tot het Joodse volk om lid van die familie te zijn? Nee, antwoordt hij in de brief aan de Galaten (3:25-29). Aan Christus behoren we niet toe door bloedverwantschap maar door het geloof en de doop. Dat maakt ons ‘nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte’. Door deze geestelijke verwantschap tussen alle mensen die Christus aannemen, storten de scheidsmuren tussen Joden en ‘heidenen’ in.

Paulus gaat nog verder: alle mensen hebben één en dezelfde stamvader, namelijk Adam. Door deze oermens kwam de zonde de wereld in, maar door de nieuwe Adam (Christus) is er voor iedereen verlossing gekomen (brief aan de Romeinen 5:12-18). Deze gemeenschappelijke afkomst en lotgevallen van de mensheid maken het overbodig om van verschillende stammen of naties te spreken. Voor God zijn alle mensen gelijk: in ongunstige zin zolang ze Christus niet kennen en in gunstige zin als ze tot geloof zijn gekomen en zijn gedoopt. Ook andere grenzen vallen hierdoor weg: tussen mannen en vrouwen, tussen slaven en vrijen enzovoort (zie bijvoorbeeld de brief aan de Galaten 3:28; en ook de brief aan de Kolossenzen 3:11) .

Dit hooggestemde ideaal van de gelijkheid van alle mensen voor God werd niet altijd van harte in de praktijk gebracht. Zowel in de kerk als in de samenleving bestond er nogal wat weerstand tegen. Toch drong het geleidelijk door in de harten en geesten van de mensen.

Onze samenleving

Familiebanden zijn ook in onze samenleving van groot belang. Op familieleden kunnen we altijd terugvallen in tijden van nood. Ook vrienden schieten graag te hulp, maar met hen deel je nu eenmaal niet je hele voorafgaande leven, met al het wel en wee dat je daarin ten deel is gevallen.

Net als in oude tijden geldt vandaag de dag dat familiebanden structuur geven aan de samenleving. Zoals de Joden hun familieverhalen koesteren en vol trots spreken over Abraham als hun stamvader, zo geeft de familie ook ons houvast. Die geeft ons een gevoel van geborgenheid en wijst ons een manier om te leven aan.

Toch is er een ideaal dat de biologische verwantschap overstijgt: dat van de geestelijke familie, de familie van God. Daardoor zien we in de medemens niet ‘de ander’ die we moeten afweren of wantrouwen, maar een broeder of zuster die we mogen aanvaarden en vertrouwen. Zo’n mentaliteit vergemakkelijkt de solidariteit met de mensen om ons heen. Ouderen voelen zich geroepen om op grond van hun levenservaring jongeren te steunen en van advies te voorzien. Jonge mensen maken tijd vrij om behoeftige ouderen te helpen. Vrijwilligers van alle leeftijden melden zich aan om bijvoorbeeld in het Utrechtse zorgcentrum de Hoogstraat slachtoffers van verkeersongelukken bij te staan bij hun revalidatie. Bij het Leger des Heils Midden Nederland zijn veel mensen actief om cliënten de helpende hand te bieden als gastheer/vrouw, kookvrijwilliger of begeleider. En zo zijn er nog talrijke voorbeelden te noemen van mensen (jong en oud, dichtbij en ver weg) die zich belangeloos inspannen voor anderen.

Het gezicht van Christus

Gelijkheid en solidariteit zijn waarden die voortvloeien uit het familieleven, of de verwantschap nu genetisch is of spiritueel. Zijn deze waarden niet algemeen-menselijk? Hebben we daar de kerk en het christendom wel voor nodig? Is een seculier-humanistische basis niet voldoende om een goed functionerende moraal op te bouwen? Ik weet dat het in kerkelijke kring bon ton is om te benadrukken dat er ‘in de maatschappij ook veel goeds gebeurt’. Dat zal zeker het geval zijn, maar toch ben ik er niet gerust op. Hoelang zal het nog duren voordat het liberale individualisme, met zijn indeling van mensen in winnaars en verliezers, de overhand krijgt op het inclusieve denken dat mensen als gelijk beschouwt? Hoelang zal solidariteit opgewassen zijn tegen het streven naar ‘zelfontwikkeling’, dat onder invloed van het reclamewezen vaak consumptieve trekken aanneemt? Ik houd mij liever aan de woorden van Lied 973:

Om voor elkaar te zijn uw oog en oor, / te zien wie niet gezien wordt, niet gehoord, / en op te vangen wie zijn huis verloor, / halleluja,

om voor elkaar te zijn uw hand en voet, / te helpen wie geen helper had ontmoet: / wie dorst of hongert wordt getroost, gevoed, / halleluja,

om voor elkaar te zijn uw hart en mond, / om op te komen voor wie is verstomd, / voor wie gevangen zit of is gewond, / halleluja,

roept U ons, Christus, uw gezicht te zijn, / gerechtigheid en vrede, brood en wijn, / uw liefde, hoop, geloof – uw zonneschijn. / Halleluja!

(foto: Jeff Jacobs via Pixabay)