V V V

Bij de Evangelische Broedergemeente spreekt men elkaar aan met ‘Broeder’ en ‘Zuster’.
Mijn moeder was zo’n ‘Zuster’.
We verhuisden nog al eens en beleefden veel verschillende kerken.
Het handige van de Broedergemeente was dat mensen uit het hele land lid waren.
Uit alle hoeken van het land trokken volle bussen naar Zeist of naar het Olympisch stadion, alwaar wij luisterden naar de begeesterende Billy Graham.
In die bussen werd op die toogdagen veel gezongen, uit volle borst.
Zingen verbindt, dat begreep ook Johannes de Heer goed!

Toen ik eens met mijn buurvrouw meeging naar de Utrechtse Domkerk, bleek dat de gezangen erg waren veranderd.
Dat was spijtig, maar gelukkig was er een, waarbij ik mijn moeder bijna hoorde meezingen.
Want dat kon ze!
Ze heeft mij op mijn 15e moeten verlaten.
Bij toeval kwam ik in de buurt van de Amsterdamse kerk te wonen, waar mijn (kort gehuwd gebleven) ouders kerkten, dus dat leek mij toch nog goed geregeld door De Lieve Heer.
Want gelovig was ik en naar die kerk ging ik, dus.
Drie keer.

Toen niemand zijn/haar hand uitstak, ben ik weggebleven.
Ik verliet de kerk en ook mijn geloof.
Ik verweet God, dat hij zijn trouwe volgelinge -mijn moeder- niet had behoed voor haar vreselijke ziekbed en mij ook niet erg leek vast te houden.
Jarenlang worstelde ik met de vraag of God bestond en of en waar hij zich mee bemoeide.
Of er een hiernamaals was en of ik de hemel wel mocht binnentreden.
Mijn moeder wist dat haar plaats daar gegarandeerd was en dat al haar vergoten tranen paar’len zouden zijn geworden.
Maar ik wist dat nog zo net niet.

Ik schreef me uit uit de kerk en deed het verder wel ‘alleen’.
Dat viel nog niet zo mee, zonder aardse ouders en zonder Hemelse Vader in mijn jong-volwassenheid.
Ik bleef nadenken over geloven, God, Jezus en het ‘christelijk grondpersoneel’ en over wat een kerk is.
Of dient te zijn. Wat het betekent om christen te zijn.
Ongelovige mensen waren goed voor mij en christenen bleken ook maar gewone mensen.
En die Barmhartige Samaritanen in mijn leven zouden dan niet in de hemel komen?
Dat verwarde mij.
Ik bleef geloven in wat Jezus zei over Liefde en hoe anderen te behandelen.
Ik miste de kerkgang niet en van de EO moest ik rillen.

De dominee hief haar handen en zegende ons aan het eind van die dienst in de Dom.
De tranen schoten in mijn ogen.
Tijdens het zingen had ik het al gemerkt.
Bij de zegen wist ik het pas echt: ik voelde me verbonden.
Ik mocht net zo aanwezig zijn in die kerk als alle anderen.
Ik wist me gezegend.

Dat dat verlangen naar verbinding er nog zat, verraste me.
Alleen was dat Verlangen Ver Verborgen geweest in mezelf.
En nu wees dit VVV mij toch de weg.
Terug naar de kerkgemeenschap.
Want daar hoef ik me nooit af te vragen of ik er wel bij mag horen.
Dat heeft die lieve dominee in onze gesprekken mij heel erg duidelijk laten voelen.
Want dat mocht ook: met haar praten, getroost worden.
Omdat ik daar ook naar verlangde.
Zij reikte me haar beide handen en ik legde de mijne in de hare.
Misschien zag God ook wel dat het zo goed was….

Hanneke Gunsing